Zoeken

(VERHAAL) Over een Thomas

Bijgewerkt: apr 22



“Imagination rules the world.” - Napoleon Bonaparte

Er zitten niet meer dan dertig studenten, in een kluitje, vooraan in de collegezaal. Thomas zit aan de zijkant van de groep. Hij pent toegewijd notities bij het verhaal van professor Simonson. Jude Simonson. Met zo’n naam had Thomas een vermakelijk Brits accent verwacht. Maar de beste man praat alsof hij in zijn vrije tijd Nederlandse voorleesboeken inspreekt. Al sluipt het Engels er hier en daar tussendoor.

Thomas bestudeert de Bijbel die Simonson aan het begin van het college uitdeelde. Op de vale kaft staat klein gedrukt ‘Biblia: De Statenvertaling 1637 – 1937’. Het is een lomp boek met dikke bladzijden, waarin de inkt diep is doorgedrongen. Wanneer de professor zijn verhaal onderbreekt voor een paar slokken van zijn koffie, valt Thomas zijn opmerkelijke verschijning op. Hij draagt een mahoniegekleurd corduroy pak, strak gesneden op zijn fitte lichaam. Lang, gitzwart haar gebundeld in een staart, waaruit losgebroken plukken over zijn schouders hangen. Vroeg zonlicht schijnt door de grote ramen van de zaal recht in zijn gezicht en geven zijn ogen een penetrant blauwe kleur. Linksboven zijn bovenlip, waar ooit een schoonheidsvlekje zat, loopt een groef over zijn huid. Een sikkelvormig litteken, dat als een rivier door een bosgebied zijn tien-dagen-baard verdeelt. Het gezicht van de professor doet hem op de een of andere manier aan een leguaan denken.

Zijn gestaar naar het litteken wordt onderbroken wanneer Simonson het over de Openbaring van Johannes heeft. Dat is zijn favoriete Bijbelboek. Omdat het niet vertelt wat er gebeurd is, maar wat er nog te gebeuren staat. Omdat het naast het zijn van prachtige Bijbeltekst, door draken, de Vier Ruiters van de Apocalyps en Cerberus de driekoppige hellehond, ook leest als een episch fantasieverhaal. Daar laat God zijn onbegrensde macht zien.


Openbaring 22.13: “Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.”


Als zijn blik die van de professor kruist schrikt hij op en baalt hij dat hij heeft gemist wat Simonson over Openbaring te zeggen had. Hij was bezig zich te herinneren wat de namen van de Vier Ruiters waren. De galmende voorleesstem van Simonson diende enkel als achtergrondmuziek bij die gedachten. Vlug leunt hij nonchalant naar voren, met zijn hoofd steunend op zijn handpalm. Simonson glimlacht en vertelt verder. Professoren zien het verschil wel tussen studenten die luisteren en studenten die afgeleid zijn.

‘Er zijn zelfs bronnen die suggereren dat delen van de Bijbel herschrijvingen zijn. Pastische, if you will,‘ vervolgt Simonson. ‘De overeenkomsten tussen het verhaal van Jezus en dat van Horus uit de Egyptische mythologie zijn niet te ontkennen. Horus werd geboren uit Meri en Jo-Seph terwijl zijn moeder een maagd was. Jezus werd geboren uit Maria, ook een maagd, en Joseph. Ze zijn beiden gekruisigd naast twee dieven. Jezus en Horus hadden beiden een wederopstanding na drie dagen. Enzovoort.’

Als de professor de vergelijkingen opsomt en op het bord schrijft, blijft Thomas’ pen stil tussen duim en wijsvinger geklemd. Hij neemt de opsomming niet helemaal over. Bovenaan elke nieuwe pagina schrijft hij “Simonson – over Christendom” en tekent daar een klein kruis naast.


Aan het eind van het college pakt de professor zijn papieren onhandig bij elkaar en bergt ze op in een leren schoudertas. ‘Wees zo vrij om met vragen of suggesties bij me langs te komen. Ik zit nog tot drie uur in het kantoortje hiernaast. I thank you dearly.’ Hij gooit de tas met een lompe zwier over zijn schouder en wandelt met een groetende hand in de lucht de collegezaal uit. Alsof de doffe klap van de dichtslaande deur een startschot is, beginnen de studenten met elkaar te praten. Weinig woorden over het college. Thomas staart naar het krijtbord, waar de vergelijkbare tijdlijnen van het leven van Horus en Jezus naast elkaar uitgeschreven staan. Hij merkt dat hij als enige nog zit en staat op. De jongen die naast hem zat en het grootste deel van het college zijn ogen op zijn telefoonscherm had zucht een keer diep. Hij rekt zich overdreven en met een hoop kreungeluiden uit. ‘God, dat was vermoeiend. Ik moest m’n best doen niet in slaap te vallen.’ Thomas kijkt om als hij doorheeft dat de jongen het tegen hem heeft. ‘Uh, ja. Dat heb je soms. Ik vond het wel interessant.’ De jongen is al onderweg naar de deur als hij als een hyena grinnikt om iets op zijn telefoon en nog snel roept. ‘Oke, man!’

Thomas ziet dat de jongen zijn aansteker heeft laten liggen. ‘Hey, is deze van jou?’ Hij houdt het ding omhoog. De jongen knikt en houdt zijn handen op ongeveer vier meter afstand op. Thomas gooit de aansteker te hard bovenhands richting de jongen. De aansteker zeilt langs zijn handen tegen zijn borst en klettert bij zijn voeten op de natuurstenen tegels neer. ‘Bedankt hé,’ zegt de jongen. Hij pakt de aansteker van de vloer op, test of het nog werkt en loopt zonder verder wat te zeggen de collegezaal uit. Thomas denkt aan het gezicht dat de jongen trok toen hij doorhad dat hij de aansteker niet ging vangen. Zijn ogen wijd opengesperd en zijn lippen getuit. Het deed hem denken aan het gekke geschetste zelfportret van Rembrandt. Thomas slingert zijn tas over zijn schouder. Hij loopt de collegezaal uit en slaat rechtsaf richting de uitgang. Hij kijkt over zijn schouder naar het kantoortje waar Simonson vandaag zit. Hij ziet de deur op een kier staan en draait zich om. Het raam in de deur is geblindeerd met een bevlekt rolgordijntje dat ooit wit was. Thomas klopt drie keer. Geen gehoor. Hij klopt iets harder.


‘Als de deur open staat, mag je er van uit gaan dat je binnen mag komen. Come in,’ klinkt een zware stem vanachter de deur. Thomas duwt de deur open en ziet de professor glimlachend achter een houten bureau zitten. Het is een kleine, donkere kamer. Zo’n kantoor waar de kleur bruin overheerst, in de hoek een globe staat die ook doorgaat voor minibar en enkel boeken van voor het millennium in de kast staan. Ook al staat hier geen globe. Wel een boekenkast tot aan het plafond. ‘Je zou mijn kantoor thuis eens moeten zien,’ grapt de professor. Zijn haar heeft zich verlost uit het elastiekje. Als hij op kijkt lijkt het alsof hij tussen twee donkere gordijnen door gluurt. De paar bungelende haren voor zijn ogen lijken hem niet op te vallen. ‘De jongen van de derde rij die of een nieuwe superheld heeft bedacht en uitgetekend of letterlijk al mijn woorden heeft genotuleerd.’ Thomas weet niet zeker of het een grapje is. Dat doet hij ook als zijn vader in een lollige bui is. De professor lijkt er niet van onder de indruk. ‘Wat kan ik op deze zonnige morgen voor je doen, boy?’ Thomas blijft in het midden van het kantoor staan. ‘Ik vraag me iets af. Namel… Voordat Thomas zijn vraag kan stellen onderbreekt de professor hem. ‘Een vraag! Ik dank je vriendelijk voor je participatie, alvast.’ Hij glimlacht zijn gebit bloot. Thomas ziet nu van dichtbij dat er een stukje van zijn linkervoortand is afgebroken, precies onder het sikkelvormige litteken. Zijn glimlach maakt plaats voor omhoog gerichte wenkbrauwen. ‘Gaat je vraag over het college?’ Thomas probeert zijn vraag opnieuw te formuleren. Hij verplaatst zijn gewicht van zijn linker naar zijn rechterbeen en houdt zijn handen achter zijn rug. ‘Ja. Nou, eh, eigenlijk is het een vraag over u.’ Professor Simonson duwt zichzelf van het bureau omhoog. Met nonchalante stappen loopt hij naar een stoel die tegen de wand staat. Hij pakt het ding bij de leuningen en zwiept het moeiteloos boven zijn hoofd, waarna hij het als een hoed op zijn hoofd zet. Thomas doet een paar stappen achteruit en waar hij stond zet Simonson de stoel neer. Met een handgebaar verzoekt hij Thomas plaats te nemen.

Thomas ploft neer in de diepe stoel. Simonson loopt een rondje om hem heen. Thomas blijft hem volgen, draait zijn hoofd als een uil. Hij wil zijn vraag pas stellen als de professor ook zit. Simonson pakt twee mokken van een kast en neemt plaats achter zijn bureau. Vanuit een van de lades vist hij een wijnfles. Hij vult de mokken. De ene mok plaatst hij voor de neus van Thomas, de ander aan zijn eigen lippen. ‘Wat was je vraag?’ Thomas pakt de mok bij het oor op en ruikt. Het is onmiskenbaar rode wijn. Hij kijkt op de klok en ziet dat het nog geen twaalf uur is. ‘Dit is wijn.’ De professor haalt zijn schouders minimaal, maar zichtbaar op. ‘Bent u alcoholist?’ Thomas zet de mok zonder een slok te hebben genomen neer op het bureau en gaat achterin zijn stoel zitten. Simonson neemt een snelle slok. ‘Nee, ik drink niet veel. Maar net genoeg.’ Voordat hij wil gaan praten neemt hij nog vlug een nipje, alsof de ene kant van zijn hersens al wilde gaan praten, maar de ander nog bezig was met het drankje. ‘Toe, drink. Ontspan een beetje.’ Thomas neemt de mok weer in handen, ruikt er nog eens aan en kijkt argwanend naar Simonson. Die geeft geen kik. Thomas neemt een slok van de rode wijn. ‘U gelooft niet in God, of in Jezus Christus. Correct?’ De professor lacht. ‘My god, wat een binnenkomst. Mijn betoog heeft je in het minste geval aan het denken gezet, of niet?’ Hij houdt zijn vinger omhoog, als teken van zijn aankomende antwoord. Hij neemt een grote slok. ‘Nee, ik geloof niet in God of Jezus Christus. Was dat je vraag? Sorry, wat was je naam ook alweer?’ ‘Thomas, meneer.’ Thomas trommelt ongeduldig op de leuningen van de stoel. ‘Ah, ja. Thomas. Was dat je vraag?’ ‘Nee, nee. Maar u vindt religie wel belangrijk. Toch?’ Simonson leunt achterover in zijn bureaustoel, zet zijn hoofd in zijn hand en wrijft over een wenkbrauw. ‘Natuurlijk. Het is mijn vak. Religie zit in de menselijke aard, dus ook overal in de geschiedenis. Elk mens is op zoek, elk mens vraagt zich dingen af. Dat is altijd al zo geweest. Ik wil nog verder zoeken dan anderen.’ Thomas zucht. Simonson neemt nog een slok. ‘Is dat een antwoord op je vraag?’ Ze zitten voor een moment stil tegenover elkaar. Thomas haalt een hand door zijn haar. ‘Als u zelf nooit heeft geloofd en niet weet hoe dat is. Waarom praat u dan zo denigrerend over het Christendom?’ Hij verrast zichzelf met zijn aandringende toon. De professor staat op, houdt zijn handen op zijn rug en keert zich naar de hoge boekenkast. ‘Ik analyseer religie, probeer het te begrijpen. Ik probeer niemand te overtuigen.’ Thomas vouwt zijn armen over elkaar, blijft de rug van Simonson aankijken, wachtend tot hij zich omdraait. Wanneer hij dat doet, vouwt hij zijn armen strakker en reageert. ‘Ik vond uw college interessant, maar u praat er zo luchtig over. U schrijft het af op feiten. Als u zelf had geloofd, had u geweten dat het niet alleen om feiten gaat.’ ‘Jij bent een Christen, yes?’ ‘Hmmhmm.’ ‘Dan weet jij ook hoe gecompliceerd religie is. Het is gebaseerd op geloven, vertrouwen. Ik bestudeer het Christendom, omdat ik meer wil weten. Waar het vandaan komt, hoe het werkt. Ik kan niet blind geloven. Don’t get me wrong, ik zou het graag willen. Het zou de meest sublieme waarheid zijn.’

De professor neemt een laatste slok uit zijn mok en vult die meteen bij. Hij houdt de fles richting Thomas, die wijst naar zijn mok om duidelijk te maken dat hij pas een slok heeft gehad. Simonson gaat weer zitten. ‘Mag ik jou een vraag stellen?’ Thomas knikt zachtjes zijn hoofd. ‘Hoe ervaar jij het als gelovige? Tijdens deze colleges, tijdens de rest van je studie? Vind je het moeilijk?’ Thomas schudt zijn hoofd. ‘Nee. Nee, die twee dingen hoeven niet tegenover elkaar te staan. Ik wil niet zeggen dat u moet geloven. Ik respecteer uw mening ook. Maar u moet zich realiseren dat religie niet samen te vatten is in feiten en theorieën. Het is iets veel groters,’ zegt Thomas, die ondertussen rechtop in zijn stoel zit en met veel handgebaren praat. De azuurblauwe ogen van Simonson steken ijzig af bij zijn raafzwarte haar. ‘Dat realiseer ik me. Ik vind het wonderlijk en mooi dat het mensen zoveel kracht en hoop kan geven. Maar dat is niet aan iedereen besteed. Ik ken de Bijbel beter dan het leeuwendeel van de Christenen en ik kan na de laatste bladzijde niets anders concluderen dan dat het niet overeenkomt met mijn beeld van de waarheid.’

Thomas tikt met zijn vingers op de stoelleuning. ‘Maar ik geloof ook wat u zegt. Ik bedoel, het zijn de feiten. Horus is hetzelfde als Jezus, dus wie is Jezus dan? Ik kan er niet omheen, toch?’ vraagt hij. Hij haalt weer een hand door zijn haar, al vallen zijn krullen altijd op precies dezelfde plek weer terug. ‘Ik kan dat niet voor jou bepalen, boy. De feiten zijn mijn betoog.’ Thomas pakt zijn mok te wild, morst een paar druppels en kijkt gehypnotiseerd naar het heen en weer klotsen van de wijn. ‘U spreekt Hem tegen. De waarheden kloppen niet. Ze verklaren allebei alles, maar botsen met elkaar. U moet zich realiseren dat u geen onbetwistbare waarheid spreekt.’ Simonson blijft Thomas zwijgend aankijken, afwachtend. Thomas haalt de mouwknoopjes van zijn blouse los en stroopt zijn mouwen op.

Simonson zet zijn mok voorzichtig op het bureau. Thomas heeft het gevoel dat Simonson zich voor elk antwoord optimaal positioneert, om wat hij zegt te ondersteunen. De professor praat zachter. ‘Exactly. Waarom zou ik tegen u liegen?’ Simonson haalt zijn vingers langs de glooiing van zijn kaak. De stugge zwarte baardharen klinken als klitteband achter zijn nagels. ‘Je moet zelf je antwoord vinden, als dat er al is. Luister, boy. Ik ben een historicus, geen prediker. Als een religieus persoon naar de feiten kijkt, begrijp ik dat zijn gedachten uit evenwicht worden gebracht. In de Bijbel staat dat je geloof getest zal worden. Daar draait het Christendom ook om. Interpretatie, improvisatie, maar onvoorwaardelijke meegaandheid. Dat u het moeilijk vindt hoe ik erover praat, is uw eigen interpretatie van de behandelde materie. Ik leg simpelweg de feiten voor u klaar.’

Thomas zucht lang. Hij drinkt zijn mok leeg en zet hem op het bureau. Hij duwt zijn handpalmen in zijn ogen en wrijft zachtjes. ‘Hmm. Ja. Ik weet het. Ik wou het gewoon even gezegd hebben, snapt u?’ Simonson stemt in met een hoofdknikje. Met zijn ene hand houdt hij vervolgens één kant van zijn colbert omhoog, om er met de andere hand een doosje sigaretten uit te plukken van een merk dat in Nederland niet te koop is. Hij klapt het doosje open aan de bovenkant en biedt Thomas er één aan door het doosje in zijn richting te houden. Thomas wijst af met een wegwuivende hand. Simonson haalt zijn schouders op, brengt het doosje naar zijn mond en laat zijn onderlip aan een van de filters plakken. Wanneer hij het doosje weer wegtrekt blijft precies één sigaret haken, die hij behendig opwipt en tussen zijn lippen klemt. Hij gaat languit op zijn stoel liggen, zoals je zou doen als je je uitrekt, maar hij doet het om aan de bodem van zijn broekzakken te komen. Hij haalt er een aansteker uit en steekt de sigaret aan.

Thomas blijft zijn bewegingen nauwkeurig volgen. Hij weet niet of hij nu weg moet lopen of moet blijven zitten, of hij meer vragen moet stellen of moet zwijgen. Hij wacht tot de professor hem instructies geeft. Simonson neemt een lange eerste trek van de sigaret en blaast rook richting het plafond. Het puffen bij het uitblazen en het korte knisperen van de volgende trek zijn de enige geluiden in het kantoor. Thomas kijkt naar de rook die zich stroperig door de kamer verspreidt.

‘Als je nog meer vragen hebt, stel ze vooral.’ Thomas hijst zichzelf uit de stoel. ‘Nee, ik heb geen vragen meer. Maar bedankt. Tot ziens, misschien.’ Thomas draait zich om en loopt richting de deur. De professor staat op, neemt nog zo’n lange haal van zijn sigaret en dooft de peuk met een scherpe sis in zijn mok. ‘Neem mijn kaartje mee, hier. Bel of mail maar als je nog meer vragen hebt, okay? Het is ingewikkelde stof. Ik ben er voor.’ Thomas neemt het kaartje aan en knikt. Hij draait zich weer om, opent de deur en trekt het met een luide klik in het slot.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Met snelle stappen loopt Thomas de trap bij de hoofduitgang van de universiteit af. Hij zig-zagt tussen zijn medestudenten door, ze gebruiken de traptreden als picknicktafel. De jongen van de aansteker en de hyena-grinnik zit onderaan de trap. Hij roept Thomas. ‘Ben je bij hem langsgegaan?’ Thomas hoort hem niet. De jongen staat op. ‘Hey, dromer!’ Thomas haalt zijn hoofd uit de wolken en kijkt in het gezicht van de jongen. Hij schrikt en zijn armen schieten uit reflex naar voren. De jongen zet een stap naar achter, zet zijn Converse stevig op de grond en vindt zijn balans. ‘Ho, rustig maar.’ De jongen klopt Thomas op zijn schouder. ‘Chill. Wil je ook een peuk?’ Hij gaat weer op de trede zitten en neemt een trek van zijn sigaret. ‘Nee, hoeft niet, dank je.’ Thomas kijkt naar de mensen die langs hem lopen. ‘Kom, ga zitten! Als de zon schijnt is dit zo’n goeie plek. Kom, zit,’ stelt de jongen voor. Hij houdt Thomas toch een sigaret voor. Thomas pakt de onaangestoken sigaret aan en houdt het nonchalant tussen zijn wijsvinger en middelvinger, zoals James Bond dat zou doen.

‘Wauw, kijk die chick. Let op.’ Hij stoot Thomas met een elleboog in zijn ribben en wijst met de vingers waar zijn sigaret tussen zit geklemd naar een langslopend meisje. De jongen gaat rechtop zitten, doet zijn shirt goed en zet een luide theatrale stem op. ‘Oh, hoe de vergulde zonnestralen toch haar voluptueuze figuur onberispelijk accentueren! Ach en wee, mijn hoofd. Belle, mijn hoofd, u brengt het op hol! Wooh!’ Thomas lacht om het figuur dat de jongen slaat, onbeschaamd, met een galmende stem over het campus. Het meisje kijkt wie haar roept, maar reageert niet op de jongen. Ze herkent Thomas. Ze zwaait en lacht. Haar tanden steken sneeuwwit af bij haar rode lippenstift.


‘Wat gebeurt hier dan?’ vraagt de jongen overdreven. ‘Ken jij haar? Is ze je nichtje of zo?’ ‘Nee,’ zegt Thomas, ‘m’n buurmeisje.’ De jongen zet zijn theaterstem weer op. ‘Ik word gek van die weapons of mass seduction van al die studentendames hier.’ Hij laat een getimede pauze vallen. ‘En jij maakt je buurmeisje gek.’ De jongen lacht hard. Hij bokst Thomas op zijn schouder. ‘Nee, serieus, ze lacht veel te lief naar je. Daar moet je achteraan gaan.’ ‘Ik ken haar al heel lang,” ‘Des te beter. Ik had het wel geweten. Gewoon een keer met een roos tussen je tanden en een fles champagne aanbellen en je bent helemaal binnen.’ Hij spreekt champagne met een overdreven Frans accent uit. ‘Je bent gek,’ zegt Thomas. De jongen houdt zijn aansteker voor Thomas’ gezicht. Thomas kijkt de jongen twijfelachtig aan. Uiteindelijk doet hij de sigaret tussen zijn lippen en laat de jongen het aansteken. Hij neemt een trek. Hij hoest een keer kort en neemt meteen nog een trek, zonder te hoesten. Hij kijkt in de rondte, om geen aandacht te trekken naar het feit dat hij nooit rookt. ‘Twee rijen voor ons bij dat college net zat een meisje, met zo’n aquamarijngroene string met een strikje erop, als een cadeautje, boven haar broek uit. Als een meerminnenstaart boven de golven. Heb je dat gezien?’ Thomas realiseert zich dat James Bond zo nonchalant rookt omdat hij niet bewust aan het roken is. ‘Nee, niet gezien.’ ‘Hou je ogen open hoor. Er is hier veel te veel moois te zien.’ Als zijn sigaret bijna tot het filter is opgebrand, sneller dan hij had verwacht, kijkt hij om zich heen naar een asbak, of zo’n rokerspaal. Een klein eindje verderop vindt hij er een. ‘Gooi gewoon weg joh,’ zegt de jongen. Thomas loopt naar de paal en drukt de smeulende sigaret uit. ‘Ik moet gaan. Jij gaat hier zeker nog zitten tot de zon onder gaat.’ ‘Niet de hele dag. Maar voorlopig nog wel even. Later man. Ik ben Jorne trouwens.’ Jorne steekt zijn vuist uit. ‘Thomas.’ Hij stoot zijn vuist tegen de knokkels van Jorne.

Thomas loopt naar huis. Hij woont dichtbij de universiteit. De kerk waar zijn vader dominee is staat in het centrum. Hij pakt zijn telefoon uit zijn broekzak en tikt op Facebook ‘Jorne’ in. Bovenaan staat een foto van een jongen met een rode piratenhoed op, waar Captain Morgan op staat. Hij stuurt hem een vriendenverzoek.

Hij scrollt Facebook door, maar ziet niets bijzonders. Hij opent Google. ‘Jesus and Horus comparisons’. Google zegt 108.000 resultaten te vinden. Het eerste resultaat is een link naar een discussiesite. Er staat een tabel bovenaan de pagina, met in de linkerkolom ‘Jesus Christ’ en in de rechterkolom ‘Horus’. De lijst is nog langer dan die van Simonson. Zijn maag tintelt naar. Bruine motten dansen in zijn onderbuik. Hij scrolt verder. Er is een hevige discussie ontstaan in de reacties onder het artikel. Hij begint de eerste reactie te lezen, maar schrikt naar een paar regels op van een fietser die bijna zijn tenen als schans gebruikt. Hij klikt op de ster rechtsbovenin het scherm van zijn telefoon. Het artikel is naar zijn favorietenpagina verplaatst. Hij zal het later verder lezen. Zijn telefoon glijdt weer in zijn broekzak. Hij gaat de laatste bocht om, zijn straat in. Als hij langs het huis waar het buurmeisje woont loopt, vertraagt hij zijn pas en kijkt of ze thuis is. Ze is er niet.


Thomas ligt op de bank op zijn kamer. Hij bladert in zijn notitieboek. Dat doet hij na elk college. De notities bestaan uit feiten. Dat heeft Simonson immers gezegd. Hij denkt aan het antwoord dat de professor gaf. Hij wordt normaal zelden ergens boos over, laat staan over een gesprek met een professor. Maar hij merkt dat hij nu geïrriteerd is. Waarom had de professor toch meer over het geloof te zeggen dan Thomas zelf? Hij verwijdert de discussiewebsite van zijn favorieten. Hij gelooft onvoorwaardelijk. Dan bestaat er geen twijfel.

‘Thom!’ Thom hoort niets. ‘Thomas?’ Hij kijkt op alsof hij iets denkt te horen. ‘Thomas!’ Aan de toon van zijn moeders stem hoort hij nu dat ze één keer te vaak heeft moeten roepen. Snel klapt hij het schrift dicht en rent de trap af naar beneden.

Halverwege de trap ruikt hij tomatensoep. Als hij de deur van de woonkamer doorgaat zitten zijn moeder, vader en twee zusjes al aan tafel. Ze wonen in een oud huis. De cremekleurige verf bladert bij de hoeken van de muren af. Er zitten scheuren in het plafond. Thomas heeft de woonkamer nooit fijn gevonden, het staat er te vol. Oude kleine tafeltjes en kastjes en planten en potjes en speelgoed en tijdschriften en andere zooi. Pal in het midden van de kamer staat de eettafel. Ze erfden het van opa toen hij een paar jaar geleden overleed. Thomas loopt rustig naar zijn vaste stoel, tegenover zijn vader, die aan het hoofd van de tafel zit. Zelfs op een zonnige dag als vandaag is het schemerig in de kamer. Hij knipt de lampen boven de tafel aan. Vader wacht met opgehouden hand tot Thomas zijn kom aan hem geeft om te vullen. Thomas leest uit het notitieschrift naast zijn kom. ‘Mag ik je kom, Thomas?’ ‘Oh, ja. Sorry.’ Thomas ontmoet de blik van zijn vader. Zijn ogen verschuilen zich achter een rond brilletje met een dun montuur. Dat montuur moet zo dun zijn dat het lijkt dat de glazen voor zijn ogen zweven. Maar hij houdt er niemand mee voor de gek. Zijn vader heeft bruine ogen. Als hij in een goede bui is spreken ze nog meer dan ze normaal doen. Het zijn vertrouwelijke ogen, als van een labrador. Thomas geeft de kom aan zijn vader. Die vult de kom, breekt het stokbrood in vijf stukken en geeft aan elk familielid een deel. Vader gaat ze voor in gebed. Thomas vouwt zijn handen, houdt die voor zijn gezicht en houdt zijn ogen open. Hij kijkt de tafel rond terwijl zijn vader zijn favoriete dinergebed opdreunt. Altijd als ze soep eten pakt zijn moeder uit met het dekken van de tafel. Dan legt ze servetjes neer, steekt ze kaarsjes aan en ligt er naast het diepe bord een kleine en een grote lepel, voor de soep en voor het toetje. Alsof ze compenseert voor het feit dat soep weinig moeite kost om klaar te maken. ‘Amen. Zo.’ De familie begint aan de tomatensoep. Ze tellen hoeveel gehaktballetjes er in hun soep drijven. Thomas telt er zeven, het meest van het gezin. Zijn zusjes tellen er allebei vijf. Ze kibbelen met hun moeder. ‘Hoe was jouw dag, Thomas? Ik heb je de hele dag niet gezien,’ onderbreekt zijn vader het geruzie van zijn dochters. ‘Ik dacht dat jij geen college had vandaag,’ zegt hij terwijl hij met zijn lepel richting het schrift wijst. Thomas legt zijn lepel neer en scheurt een stukje van zijn brood af. ‘Er was een gastspreker.’ Vader trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Waar ging het over?’ Thomas slurpt luid een lepel soep naar binnen en kijkt naar zijn moeder. Die schudt haar hoofd afkeurend. ‘Hey, waar ging het over?’ ‘Het ging over Jezus en het Christendom.’ Zijn vader bromt terwijl hij een flinke hap soep naar binnen werkt. ‘Lekker zo, met die extra prei erin,’ zegt hij tegen zijn vrouw en ze glimlacht. Thomas legt zijn lepel neer.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Voor Thomas’ raam hangt een windklokkenspel van zijn moeder. Het maakt heel af en toe een hoog pingelend geluid, het is bijna windstil. Het ding werpt door de lage zon een lange schaduw op zijn muur, dat lijkt op een soort duister beest. Hij bestudeert de schaduw en probeert zich voor te stellen hoe het beest eruit zou zien. Thomas pakt zijn Bijbel. Hij leest het eerste hoofdstuk van Job. Hij slaat het dicht en legt het op zijn nachtkastje. Hij gaat liggen en kijkt weer naar de schaduw, die door het verder zakken van de zon in de aarde verder is uitgerekt en onherkenbaar is geworden. Hij loopt naar zijn raam en kijkt hoever de zon onder is. Hij ziet zijn buurmeisje aan het begin van de straat aan komen fietsen, doet het raam open, wacht tot ze dichtbij genoeg is en zwaait naar haar.

  • White Twitter Icon
  • White Facebook Icon
  • White Instagram Icon
  • White YouTube Icon
  • White LinkedIn Icon

© 2020 by NICK FELIX.